• Over de BGT
  • BGT Mythbusting: alle BGT misverstanden de wereld uit!

BGT Mythbusting: alle BGT misverstanden de wereld uit!

  • iedereen (publiek zichtbaar)

Steeds meer mensen zijn bezig met de BGT. Ondertussen wordt er informatie verstrekt via vele kanalen. Iedereen die met de BGT te maken heeft praat onderling over de BGT en informatie en ervaringen worden gedeeld. Langzamerhand merken we dat er ondanks, of misschien wel dankzij al die informatie, over vele BGT-onderwerpen misverstanden zijn ontstaan. Deze misverstanden, ook wel de ‘mythes van de BGT’, willen we namens alle BGT-partners graag de wereld uit helpen en vertellen ‘hoe het wél zit’. Alle mythes over de BGT zullen we dan ook ‘busten’, via het zogenaamde ‘Mythbusting’. Eén voor één worden de BGT-mythes aangekaart met een uitgebreide toelichting en de juiste informatie en achtergronden.

 


 

Mythe 17: ‘Terugmeldingen moeten binnen één werkdag helemaal opgelost zijn’

Dit is een misverstand. Er wordt niet verwacht dat bronhouders binnen één werkdag een terugmelding kunnen onderzoeken, beoordelen en een BGT mutatie kunnen aanleveren. Wel zijn er wettelijke verplichtingen voor bronhouders rondom de reactietermijnen op terugmeldingen. Wat houden deze precies in?
Terugmeldingen zijn een belangrijk kwaliteitsinstrument van de BGT. Met behulp van terugmeldingen weten bronhouders waar ze de kaart moeten verbeteren. Bestuursorganen zijn zelfs wettelijk verplicht om terug te melden wanneer zij twijfelen over de kwaliteit van de BGT. Omdat de BGT beschikbaar als open data is, heeft daarnaast iedereen altijd het recht om een terugmelding te doen. Om alle terugmelders in hun behoefte te voorzien is hiervoor het laagdrempelige terugmeldsysteem ‘Verbeter de kaart gelanceerd. Terugmelden is hierdoor eenvoudiger geworden, maar alle meldingen moeten natuurlijk wel tijdig verwerkt worden.

image

Snelle reactie Bronhouders spelen hierin een cruciale rol. In de ‘Wet basisregistratie grootschalige topografie is dan ook opgenomen dat de bronhouder na ontvangst van de melding beslist over wijziging van de BGT naar aanleiding van de terugmelding. Lukt dit niet binnen één werkdag of is er meer onderzoek nodig? Dan geeft de bronhouder de terugmelding de status ‘in onderzoek’. Dit laatste kan natuurlijk veelvuldig voorkomen, omdat er bijvoorbeeld fotomateriaal of een check in het veld nodig is.
Voor objecten die ‘in onderzoek’ staan vervalt de gebruiksplicht van de BGT. Daarom is het belangrijk dat terugmeldingen die direct verwerkt of afgekeurd kunnen worden, niet onnodig in onderzoek komen te staan. Er wordt dus niet verwacht dat binnen deze termijn een terugmelding volledig is afgehandeld, maar wel dat bronhouders binnen deze termijn beoordelen of onderzoek nodig is. Daarnaast zorgt een snelle beoordeling er ook voor dat de terugmelder bijtijds weet wat er met zijn of haar terugmelding gebeurt. 
Extra werkdagen ‘Verbeter de kaart’ bestaat uit twee systemen: Een terugmeldsysteem (TMS) van het Kadaster voor BGT gebruikers om terugmeldingen te doen en te bekijken en het mutatiemeldsysteem (MMS) van SVB-BGT voor bronhouders om meldingen te beoordelen en toe te voegen aan de werkvoorraad. Doordat er een automatische koppeling is tussen de twee systemen, verschijnen terugmeldingen direct in het MMS. Daarnaast wordt de beoordeling van de bronhouder ook automatisch doorgegeven aan de terugmelder via het TMS.
Volgens de wet heeft het Kadaster vier werkdagen verwerkingstijd voor deze berichten. Maar omdat deze verwerking in de praktijk veel sneller gaat, wordt gedoogd dat bronhouders deze verwerkingstijd van het Kadaster mogen gebruiken om tot een betere eerste reactie te komen. Voor de terugmelder verandert er niets: deze kan binnen maximaal vijf werkdagen een eerste reactie op zijn terugmelding verwachten, zoals ook in de wet beschreven is.
Het wettelijke ‘in onderzoek’-register krijgt gestalte door alle terugmeldingen openbaar te tonen in 'Verbeter de Kaart'. Later zal deze meldingenlaag ook ontsloten worden in PDOK. Het is in de IMGEO-standaard overigens ook mogelijk om objecten de status ‘in onderzoek’ te geven, maar dit zal niet worden afgedwongen.
Lees ook link en link voor meer informatie over het terugmeldproces en 'Verbeter de kaart'.

 

 

 

 



Mythe 16: "De BGT is pas bruikbaar als alles af is"


Dit is een misverstand. De BGT hoeft niet landsdekkend klaar te zijn  voordat hij bruikbaar is. Grote delen van Nederland staan al in de Landelijke Voorziening. Informatie uit deze gebieden is nu al toe te passen in de praktijk. Sta dan ook niet stil en maak nu al gebruik van de BGT.
Vanaf 2017 is het gebruik van de BGT voor overheidsorganisaties verplicht.

image

De BGT raakt steeds verder gevuld. image
Op dit moment leveren bronhouders hun BGT-gegevens  en raakt de BGT steeds verder gevuld. Vanaf het moment dat gebieden in de Landelijke Voorziening staan, kunnen zowel publieke als private partijen gebruik gaan maken van de BGT. De BGT is dan ontsloten via het PDOK Loket. Op dit moment kunt u via het PDOK Loket al de BGT raadplegen van de bronhouders die hun BGT-gegevens inmiddels aangeleverd hebben. In de afbeelding rechts ziet u in het groen welke gebieden al in de Landelijke Voorziening staan.

De BGT gebruiken.
De BGT is op veel terreinen toe te passen. Denk bijvoorbeeld aan het beheer van de openbare ruimte, ruimtelijke ordening, veiligheid, nutsvoorzieningen, et cetera. De BGT heeft een grote meerwaarde voor werkzaamheden waarbij een gedetailleerde kaart nodig is. 

Een goed voorbeeld van een organisatie die nu al gebruik maakt van de BGT is Dunea. Deze organisatie levert in het zuiden van Zuid-Holland drinkwater aan ruim 1.260.000 klanten. Het beheer van het ondergrondse leidingnet vereist een goede referentie met een bovengrondse kaart. Tot nu toe werd daar de GBKN voor gebruikt. Het verzorgingsgebied van Dunea zit nog niet geheel in de Landelijke Voorziening, maar enkele grote gebieden wel, zoals de gemeentes Leiden en  Den Haag. Omdat een waterleidingbedrijf te allen tijden bij de gegevens moet kunnen heeft Dunea er voor gekozen om alle data binnen te halen en in hun eigen omgeving op te slaan. Mobiele apparaten van servicemonteurs worden ’s nachts bijgewerkt en zo beschikt men altijd over actuele kaartgegevens, ook in geval van een calamiteit. Wilt u hier meer lezen over Dunea en de BGT klik dan op deze link. Andere gebruikersvoorbeelden zijn te lezen via deze link te bekijken.

De BGT is nu al bruikbaar en toe te passen in de dagelijkse praktijk. Sta dan ook niet stil en maak nu al gebruik van de BGT. Heeft u nog mooie gebruikstoepassingen? Laat ze ons weten en wie weet worden ze opgenomen in de volgende druk van de brochure: BGT, Baten, Gebruiken, Toepassen om zo ook anderen te inspireren.

 



Mythe 15: “Plaatsbepalingspunten en de kenmerken die hieraan hangen zijn onbelangrijk”

Dit is een misverstand.  Plaatsbepalingspunten (PBP’s) bevatten voor sommige afnemers van de BGT essentiële informatie voor het uitvoeren van hun werk. Onder andere voor grondroerders zijn de kwaliteitskenmerken die aan PBP’s hangen van groot belang, bijvoorbeeld om schade aan kabels en leidingen bij graafwerkzaamheden terug te dringen. En juist voor dit soort maatschappelijke baten maken we de BGT met elkaar. Over het aanleveren van (kwaliteitsbeschrijvingen bij) BGT-objecten in de transitiefase zijn duidelijke afspraken gemaakt, maar wat zijn deze ook al weer?

Waarom zijn er plaatsbepalingspunten?
Anders dan bij zaakdossier-georienteerde basisregistraties, heeft de BGT niet de beschikking over brondocumenten. De brondocumenten zijn van belang als vastlegging van een gebeurtenis en als bron waaruit de gegevens worden overgenomen in de basisregistratie. Zo kan de herkomst van gegevens in een basisregistratie worden onderzocht. Ook voor de BGT is deze naspeurbaarheid van belang. Om dat te borgen is er voor gekozen om de plaatsbepalingspunten, die ten grondslag liggen aan de objecten in de BGT, ook in de BGT vast te leggen. Het is daarbij gewenst om van deze plaatsbepalingspunten een aantal gegevens vast te leggen. Indien dit niet zou plaatsvinden dan heeft de registratie van deze punten geen enkele waarde en zijn ze te vergelijken met blanco brondocumenten. Het is daarom noodzakelijk de plaatsbepalingspunten voor alle objectklassen vast te leggen als je de punten beschouwt in het licht van het belang van een volledig brondossier als grondslag voor de basisregistratie.

Plaatsbepalingspunten, wat zijn het?
Plaatsbepalingspunten zijn coördinatenparen waaruit de geometrie van een BGT object is opgebouwd. Een BGT-puntobject bevat altijd één plaatsbepalingspunt, een BGT-lijnobject minimaal twee en een BGT-vlakobject moet uit minimaal drie plaatsbepalingspunten bestaan. Dat betekent dat het er heel wat zijn; naar schatting van het Kadaster zal de BGT straks zo’n 1 miljard PBPs bevatten!

Een PBP is echter meer dan alleen een coördinaatpunt; elk PBP bevat een aantal kwaliteitskenmerken welke iets zeggen over de nauwkeurigheid waarmee een lijn is ingewonnen. Daarom dienen onderstaande attributen voor elk PBP te worden ingevuld. 

Attribuut Definitie
Identificatie Uniek identificatienummer voor het plaatsbepalingspunt dat onveranderlijk is zolang dit punt bestaat.
Nauwkeurigheid

Gerealiseerde geometrische nauwkeurigheid van de geometrie van het

object ten opzichte van de werkelijkheid, uitgedrukt in centimeters.
Datum inwinning Datum waarop het punt is ingewonnen.
Inwinnende instantie

De organisatie die namens de bronhouder het plaatsbepalingspunt inwint. De inwinnende instantie kan de bronhouder zelf zijn of een andere bronhouder aan wie dit is gedelegeerd (zie ook link)

Inwinningsmethode De wijze waarop het plaatsbepalingspunt is ingewonnen
Geometrie Puntgeometrie (GM_Point).

Maar waarom zijn ze nou zo belangrijk?
Voor uitvoerders in het veld kan het van wezenlijk belang zijn om te weten of bijvoorbeeld de hoek van een gebouw een nauwkeurigheid van 1 cm heeft of dat een afwijking van 30 cm moet worden verondersteld. Dit is belangrijk voor netbeheerders om de geometrische ligging van de door hun beheerde kabels in de grond te kunnen bepalen. Maar ook voor het inpassen van nieuwe of gewijzigde BGT-objecten tijdens een meting in het veld is het belangrijk om de nauwkeurigheid te kennen waarmee aangrenzende objecten zijn ingemeten. Hoewel ú als bronhouder wellicht niet direct gebruik maakt van de attribuutgegevens van PBPs zijn ze voor andere afnemers van de BGT dus onmisbaar!

image

Om gebruikers van de BGT zo precies mogelijk te informeren over nauwkeurigheid, is er voor gekozen om de kwaliteitskenmerken van een meting aan PBP’s te koppelen in plaats van aan de BGT objecten. De lijnelementen waaruit objecten in de BGT bestaan kunnen immers op verschillende manieren zijn ingewonnen; zo kan één zijde van een gebouw bijvoorbeeld vanuit een luchtfoto zijn ingewonnen en de andere zijde door een terreinbezoek van de landmeter.

Plaatsbepalingspunten, zijn ze verplicht?
Plaatsbepalingspunten behoren tot de verplichte inhoud van IMGeo Dit betekent dat PBP’s (inclusief de daarbij behorende attribuutgegevens) in de 1e tranche van de transitie naar de BGT aangeleverd moeten worden mits de gegevens bij bronhouders beschikbaar zijn.

Hoe zat het ook weer met die tranches? 
In 2011 hebben de bronhouders met elkaar afgesproken om de transitieperiode voor de BGT in twee tranches te verdelen. In de eerste tranche dienen bronhouders tenminste die informatie aan te leveren die ook voor de transitie naar de BGT al ingewonnen werd. Hiermee wordt gewaarborgd dat de BGT bij de eerste oplevering kwalitatief minimaal gelijk is aan de huidige grootschalige kaarten. Op die manier beschikken bijvoorbeeld de huidige gebruikers van de GBKN straks met de BGT ook over alle informatie die ze nu voorhanden hebben voor de uitvoering van hun taken. Objecten die als bronhouder nog niet eerder zijn ingewonnen kunnen na afronding van de transitie tot 2020 worden toegevoegd. Bent u als bronhouder nog met de 1e fase van de transitie bezig dan dient u PBP’s dus correct en volledig aan te leveren als u de informatie in uw bestanden heeft.

Meer informatie over verplichte gegevens tijdens de transitie is te vinden in de Gegevenscatalogus BGT §4.3.1 Volledigheid objectkenmerken tijdens transitie.. Een nadere uitleg van de 1e en 2e tranche staat in de nota Definitie BGT 1e tranche die in 2011 door de Programmastuurgroep BGT is opgesteld. 


 

Mythe 14: “De BGT-keten is niet in staat om grote hoeveelheden bestanden te verwerken”

Dit is een misverstand. In de afgelopen maanden is het aantal leveringen door bronhouders zoals verwacht fors toegenomen. Om hierop voor te bereiden zijn in 2015 zowel bij het SVB-BGT als bij het Kadaster organisatorische en technische maatregelen genomen. Dit heeft er toe geleidt dat er sinds oktober 2015 geen issues meer zijn geweest met performance of de lengte van wachtrijen. Maar hoe lang duurt het eigenlijk voordat een deelgebied na initiële levering door alle controles is?

Op weg naar de LV moeten initieel geleverde bestanden door de Controlefabriek, hier moeten ze door drie verschillende controlepoorten heen. De eerste stap is de Controleservice van het Kadaster; deze service toetst op uitwisselbaarheid van de data door de gehele keten. De tweede stap is de controle op juiste toepassing van de assemblageregels door het SVB-BGT. Tot slot vindt er controle plaats op correcte inpassing in de Landelijke Voorziening door BRAVO. In totaal zijn er door de keten in 2015 602 leveringen (bestand met deelgebied) verwerkt. Eind 2015 zaten er ca. 60 miljoen objecten in de LV waarvan >50% verwerkt is in november en december.

Poort 1
De Controleservice van het Kadaster controleert geautomatiseerd of de kaartgegevens van bronhouders aan de eisen voldoen. Bij het ontdekken van fouten levert de Controleservice een foutenrapportage zodat de bronhouder weet welke aanpassingen er gedaan moeten worden. Na het doen van de aanpassingen dient de levering opnieuw te worden aangeboden bij de Controleservice. Het aantal unieke gebruikers van de Controleservice schommelt op dit moment rond de 60 per week. Wekelijks worden 400-600 leveringen gecontroleerd. Bronhouders kunnen maximaal 15 bestanden per keer aanleveren. Indien een bronhouder binnen dat aantal blijft garandeert het Kadaster dat de levering binnen 24 uur wordt gecontroleerd. 

Poort 2
Komt een initiële levering foutloos door de Controleservice dan kan deze via het BRAVO-portaal worden aangeboden bij het SVB-BGT; zij voeren een inhoudelijke controle op de levering  uit. Hier wordt onder andere gekeken of de grenzen netjes aansluiten op buur- en strokenbronhouders. In 2015 heeft het SVB-BGT de capaciteit van het controleteam uitgebreid, hierdoor zijn ze in staat om pieken op te vangen. Het controleren van een bestand duurt ongeveer tussen de 8 en 20 uur. Gestreefd wordt om bronhouders binnen 10 dagen te berichten over de uitkomst van de controle, waarna de bronhouder met eventuele correcties aan de slag kan gaan. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat de levering minimaal één maand  van te voren in de TMT is aangekondigd.

Poort 3
Zodra door het SVB-BGT een go wordt gegeven op een initiële levering dan wordt deze doorgezet naar BRAVO. Indien BRAVO overlappen of andere problemen signaleert, krijg de bronhouder deze terug in de vorm van uitvallijsten. Het is dus van belang dat je als bronhouder nauwkeurig afstemt en afspraken maakt over de grensgebieden met je buurbronhouder. Na aanpassing kan het bestand opnieuw worden aangeboden. Wanneer BRAVO akkoord is dan wordt het bestand aangeboden aan de Landelijke Voorziening. Hier wordt het bestand nogmaals door de Controleservice van het Kadaster gehaald voor controle op onderlinge aansluiting. Deze toets wordt ook uitgevoerd tegen al eerder geregistreerde objecten in de Landelijke Voorziening. Pas daarna wordt het bestand vastgelegd in de LV. Op basis van een goede verwerking worden door BRAVO de abonnementen verzonden die door de bronhouders kunnen worden ingelezen om in sync te blijven met de LV. 

image
 


 


Mythe 13: "De Controleservice controleert op alles" 


Dit is een misverstand. De Controleservice is een belangrijk instrument om te toetsen of BGT-leveringen voldoen aan de technische vereisten om uitwisselbaarheid van BGT-data te waarborgen. Toch merken we dat er soms het beeld bestaat de Controleservice op alles controleert en dat je na een geslaagde controle klaar bent. Een geslaagde controle is wel een randvoorwaarde voor goede verwerking, maar geen garantie dat aan alle inhoudelijke eisen van de BGT-standaard is voldaan.
Wat is de rol, positie en functie van de Controleservice?

De (LV BGT) Controleservice is een centrale ICT-voorziening van de BGT-keten die BGT/IMGeo gegevensverzamelingen controleert op basis van eisen die gesteld worden in de gegevenscatalogi BGT en IMGeo, de berichtenstandaard en onderliggende (geo/industrie-)standaarden. De Controleservice is er primair om de uitwisselbaarheid van data door de gehele keten te waarborgen. In beginsel controleert het daarom alleen op aspecten die daarvoor van belang zijn.

Waar controleert de Controleservice wel en niet op?
Het is feitelijk niet mogelijk om op alle, deels impliciete, inhoudelijke eisen van het informatiemodel te controleren. Waar de Controleservice op controleert is een (noodzakelijk) minimum en zeker geen maximum. Desondanks wordt er op veel gecontroleerd, voor een volledig overzicht hierover is het aan te raden het document ‘BGT toelichting controles’ te lezen.

De Controleservice kan zelfstandig gebruikt worden door eenieder. Dezelfde controles worden ook gebruikt in de ‘toegangpoort’ van de Landelijke voorziening. In het laatste geval wordt er ook gecontroleerd op overlap met al geregistreerde vulling in de Landelijke Voorziening BGT.
image
Wat zijn de plannen met de Controleservice voor 2016?
De controles in de Controleservice worden steeds verder geoptimaliseerd, op basis van signalen en wensen uit het werkveld, leveranciers en ketenpartners. Dit doen we om de kans op uitwisselingsproblemen verder te reduceren, de doorlooptijd te beperken en de foutmeldingen specifieker en duidelijker te maken. Voor de 1e helft 2016 staan in ieder geval gepland:

  • Controle op gebruik van toegestane geometrietypes per objectsoort
  • Extra mogelijkheid om exacte locatie van foutmelding te downloaden in één GML
  • Controle op disconnected polygon patches

Verder zal de Controleservice worden uitgebreid met een controle op gedeelde tussenpunten bij mutaties, dit om te voorkomen dat bij mutaties onbedoeld gaten of gaatjes kunnen worden getrokken. Deze controle zal in de loop van 2016 worden ingevoerd, als de transitie is afgerond. Meer hierover is te lezen in het artikel minuscule gaatjes, samen krijgen we ze klein uit de nieuwsbrief van november 2015.

Waar moet ik op letten?
Let er als bronhouder (bij uitbesteding) op dat in contracten met opdrachtnemers een aantoonbaar geslaagde controle wel randvoorwaardelijk is, maar geen uitputtende garantie is, zeker niet wat betreft inhoudelijke juistheid, actualiteit, volledigheid en afstemming met buurbronhouders. Deze aspecten moeten dus op een andere wijze worden geborgd in het opbouw- en afstemproces. Het SVB-BGT controleert op afstemming met andere bronhouders, het voldoen aan de assemblage-instructie en een beperkt aantal technisch-inhoudelijke aspecten. Vind hier meer informatie. 

Meer weten?
Op de BGT-pagina’s van het Kadaster is documentatie beschikbaar die meer vertellen over de functie en werking van de Controleservice:

  • Een gebruikershandleiding
  • Een document met nadere toelichting op welke controles worden uitgevoerd en hoe deze werken
  • Een document en presentatie met tips & trics over het gebruik van de Controleservice.
  • Verder zijn er release notes te vinden over doorgevoerde wijzigingen.

We raden aan kennis te nemen van deze documentatie, om goed begrip te hebben over de Controleservice: zie hiervoor de website van het Kadaster. Verdere vragen en suggesties over de Controleservice kunt u terecht bij de BGT helpdesk van het Kadaster.


Mythe 12: Afstemming is minder belangrijk als ik eerder in de LV zit dan mijn aangrenzende bronhouder 

Dit is een misverstand. Afstemming van bronhoudergrenzen is een essentiële activiteit, ongeacht in welke fase van de transitie de aan u grenzende bronhouders zich bevinden. Heeft u overleg gehad met een buurbronhouder? Dan betekent dit nog niet dat er afstemming is. Afstemmen houdt in dat er concrete afspraken worden gemaakt met elkaar over hoe om te gaan met de bronhoudergrens, zodat bestanden in de Landelijke voorziening naadloos op elkaar aansluiten.

Afstemming vraagt om overeenstemming

Opbouwen en afstemmen gaan gelijk op met elkaar. Tijdens de opbouw krijgt u als bronhouder te maken met aangrenzende bronhouders. Zijn dit buurgemeenten of het waterschap, dan gaat u met elkaar om tafel om af te stemmen waar de grens ligt en welke bestanden leidend zijn qua actualiteit en nauwkeurigheid. Deze fase kunt u ook benutten om alvast afspraken te maken over de bijhouding van grensobjecten. Het is belangrijk om tot concrete afspraken te komen: zonder overeenstemming is er geen afstemming.

Afstemmen met strokenbronhouders Mythe 12

De bronhoudergrenzen van de strokenbronhouders RWS, prorail en defensie zijn gepubliceerd op Mett. De rakende bronhouders moeten conform de huidige assemblageregels exact aansluiten op de bronhoudergrenzen van strokenbronhouders.

Indien een rakende bronhouder bij de opbouw van de BGT situaties tegenkomt die nadere afstemming behoeven kan het betreffende issue worden geplaatst in de kaartmodule op Mett. Denk hierbij aan actualiteitsverschillen of verschillen op objectniveau, denk hierbij niet aan kleine geometrische verschillen. In het laatste geval dient altijd te worden aangesloten op de geometrie van de strokenbronhouder. Na afhandeling van het issue in de kaartmodule met akkoord van de betreffende strokenbronhouder, kan de rakende bronhouder deze afspraak toepassen.

Voor provincies geldt per provincie een andere situatie. Meestal is er sprake van een directe afstemmming tussen provincie en gemeente, in andere gevallen wordt er afgestemd via de kaartenmodule.

Ik ben klaar om af te stemmen maar mijn buurbronhouder niet

Lukt het u niet om contact te krijgen met een rakende bronhouder of ondervindt u andere problemen in de afstemming, neem dan contact op met uw transitieregisseur om af te spreken hoe hiermee om te gaan. Kaart afstemmingsissues altijd aan bij het SVB-BGT alvorens een initiële levering te doen. Een goede afstemming van grenzen voorkomt dat er assemblageproblemen ontstaan zodra rakende bronhouders hun bestanden gaan aanleveren. 

 



Mythe 11: De deadline voor het voltooien van de transitie wordt wel uitgesteld

Dit is een misverstand. Op 1 januari 2016 treedt de Wet BGT in werking. Vanaf dat moment dienen bronhouders hun deel van de BGT gereed te hebben en klaar te zijn om de kaart actueel te houden. Uitstel van de transitie naar de BGT is dus niet mogelijk. Er worden de komende tijd dan ook verschillende initiatieven ontplooid om alle bronhouders snel over de finish te krijgen.

De wet komt eraan

De BGT is bij wet geregeld. Hierin zijn de verplichtingen opgenomen waaraan de betrokkenen moeten voldoen. Op 1 januari 2016 treden de wettelijke verplichtingen van bronhouders in werking. Het jaar daarop zal ook het gebruik van de BGT binnen de overheid wettelijk verplicht worden gesteld. Het is daarom belangrijk om de transitie snel af te ronden en te starten met het proces van bijhouding. Op die manier weten gebruikers van de BGT, waaronder bronhouders zelf, zich straks verzekerd van een actuele kaart.

Waar staan we nu?

Om niet te ver uit de pas te lopen met de mijlpalenplanning zouden bronhouders uiterlijk het vierde kwartaal hun laatste deelgebied moeten aanleveren. Het Ministerie van IenM en het SVB-BGT verwachten, mede op basis van de enquête onder bronhouders van begin 2015, dat een groot aantal bronhouders tijdig zal voldoen aan de wettelijke verplichting. Toch weten we op basis van de huidige voortgang dat de transitie niet volledig zal zijn afgerond op 1 januari 2016. Naar schatting zal 40% van de BGT zijn voltooid en volgt de overige 60% begin 2016. 

Cartoon oktober mijlpaal

Voortgangsmeting

Om vaart in de transitie te houden ontvangen alle bronhouders begin november een brief van het Ministerie van IenM over hun voortgang ten opzichte van de 1 oktober mijlpaal. In 2016 zal het Ministerie van IenM periodiek de voortgang bij bronhouders blijven monitoren. Bronhouders die onvoldoende voortgang laten zien en waarvan een ruime overschrijding van de 1 januari deadline wordt verwacht, zullen geïnformeerd worden over de mogelijke consequenties. In de voortgangsbrief van begin november zullen bronhouders die achterlopen op de mijlpalenplanning hierover nadere informatie ontvangen.

 

Deelgebieden wel aangeleverd maar op 1 januari nog niet in de Landelijke Voorziening?

Geen nood. Door de toeloop van initiële leveringen in het vierde kwartaal kan het zijn dat de wachttijd voor de verwerking van bestanden bij het SVB-BGT oploopt. Bij het monitoren van de voortgang zal hier uiteraard rekening mee worden gehouden. Primaire indicator voor het Ministerie van IenM bij het meten van de voortgang is het moment waarop een kwalitatief voldoende bestand is aangeboden bij het SVB-BGT.

Ondersteuning van achterblijvers

Mocht u als bronhouder een ernstige overschrijding van de 1 januari deadline verwachten, neem dan contact op met uw transitieregisseur bij het SVB-BGT. Uit eerdere ervaringen blijkt dat niet alleen het SVB-BGT, maar ook buurbronhouders die de transitie (bijna) hebben afgerond, ondersteuning kunnen bieden bij het voltooien van de transitie. Zo zijn er verschillende wijzen om, zo nodig met hulp van anderen, uw gebieden nog vóór 1 januari 2016 aan te bieden voor opname in de Landelijke Voorziening.


 

Mythe 10: “Als ik op 1 oktober al mijn BGT-bestanden inlever bij het SVB-BGT worden deze direct verwerkt”

Dit is een misverstand. Het SVB-BGT plant de verwerking van bestanden in op basis van de planningen uit de TMT. Geplande leveringen hebben daarbij altijd voorrang. Bestanden waarvan de leverdatum minimaal 4 weken voor levering is opgevoerd in de TMT worden als eerste verwerkt, overige bestanden komen in de wachtrij terecht. Het is derhalve van groot belang de TMT goed bij te houden en tijdig aan te geven wanneer u welk deelgebied aanlevert. Naast tijdig inplannen heeft het voordelen om uw deelgebieden gefaseerd aan te leveren.

Mythe 10 inplannen levering

Tijdig inplannen van leveringen 

Na aanlevering controleert het SVB-BGT uw bestanden op juistheid. Deze controlefabriek houdt rekening met een grotere toestroom van bestanden in het najaar (zie het nieuwsbericht van het SVB-BGT over opschalingen).

Een tijdige aankondiging en geleidelijke aanlevering van bestanden bevordert echter de doorstroom van bestanden in de controlefabriek.

  • Houd daarom de TMT goed bij met de juiste informatie en een planning per deelgebied. Overleg daarbij met uw transitieregisseur over een reële planning en vraag naar de laatste stand van zaken rondom inhoudelijke en technische kwesties.
  • Een week voordat het SVB-BGT uw geplande levering verwacht, nemen zij telefonisch contact met u op om de exacte dag voor levering af te stemmen.
  • Lever uw bestanden daarna op de overeengekomen aanleverdatum aan via het BRAVO-portaal, om de verschillende controle-stappen te doorlopen. Het SVB-BGT plant uw bestand in en controleert uw bestand vervolgens binnen 10 dagen.
  • Lees hier meer over het inplannen, aanleveren en controleren van bestanden.

U kunt uw afgeronde deelgebieden altijd aanleveren. Geplande leveringen, die minstens 4 weken vooraf in de TMT zijn opgevoerd, hebben echter nadrukkelijk voorrang. Zo werken we samen aan een soepel verloop van de laatste fase van de transitie. 

Gefaseerd aanleveren van deelgebieden

Er zijn bronhouders die hun deelgebieden in één keer aan willen leveren (bron: monitorrapportage maart). Het heeft echter de voorkeur om bestanden per deelgebied aan te leveren. Uw bestand moet nog worden gecontroleerd, waarna vaak nog correcties nodig zijn. Het voordeel van gefaseerd aanleveren is dat u lering kunt trekken uit eerdere controles en correcties. Hierdoor is bij een volgende levering de kwaliteit van uw bestand hoger. Daarmee verkleint u de kans op extra aanpassingen en extra werk. Bovendien verkort deze werkwijze de doorlooptijd van het controleproces.



Mythe 9: “Bestaande inhoud van de kaart hoeft niet allemaal meteen in de BGT”

Dit is een misverstand. Alle objecten die vóór de BGT reeds werden ingewonnen en volgens het informatiemodel tot de BGT behoren, behoren op 1 januari 2016 meteen al in de BGT te worden opgenomen, in de omschreven taal en classificaties van de BGT. Dit betreft bijvoorbeeld huisnummers, adressen en taluds. Deze moeten meteen in de BGT worden opgenomen als deze reeds in de GBK(N) van een bronhouder was opgenomen. 

Transitie in twee tranches: eerst bestaande inhoud, dan overige kenmerken overeenkomstig het informatiemodel BGT

De transitieperiode voor de BGT is ingedeeld in twee tranches. De eerste tranche loopt tot 1-1-2016; de tweede eindigt op 1-1-2020. Deze fasering is ingesteld om het mogelijk te maken de kosten en inspanningen over een langere periode te kunnen verdelen.  Hier horen verschillende afspraken bij over het beschikbaar stellen van topografische data.

Bestaande inhoud van de kaart moet allemaal meteen per 1 januari 2016 in de BGT

Eerste tranche: BGT met tenminste huidige inhoud

De definitie van de eerste tranche is: “Op 1 januari 2016 is er een BGT waar ten minste de huidige inhoud van de bestanden bij bronhouders is omgezet naar een landsdekkend bestand in de taal van de BGT.”

Dit houdt in dat alle informatie die al ingewonnen werd door de bronhouders ook moet worden meegenomen in de BGT, zij het met een vertaalslag naar de voorgeschreven classificatie. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van huisnummers, taludsymbolen en kruinlijnen. Deze objecten zijn bij veel bronhouders voorbeelden van reeds bekende topografische informatie en moeten om die reden opgenomen worden in de BGT tijdens de eerste tranche. Mocht dit tijdens initiële leveringen nog niet zijn gebeurd dan kan dit nadien als mutatie worden opgenomen.

Zijn er objecten die u als bronhouder nooit eerder heeft ingewonnen? Dan bent u niet verplicht deze tijdens de eerste tranche (tot 1-1-2016) al direct in te winnen. De inhoud die volgens het informatiemodel wel tot de BGT behoort, maar traditioneel niet werd ingewonnen kan in de tweede tranche (tussen 1-1-2016 en 1-1-2020) worden toegevoegd. In de eerste tranche gaat het nadrukkelijk om de reeds beschikbare topografische informatie.

Tweede tranche: BGT met overige verplichte kenmerken in het informatiemodel

In de tweede tranche moeten ook de overige kenmerken ingewonnen worden die in het informatiemodel als verplicht zijn aangemerkt. Hier geldt nadrukkelijk dat deze alleen gedurende de tweede tranche mogen worden ingewonnen, voor zover deze niet reeds op de plank liggen. Nadere specificaties in het informatiemodel zijn hiermee ondergeschikt aan de spelregel dat huidige bekende topografische informatie tijdens de eerste tranche moet worden opgenomen in de BGT.

Meer lezen?

In een nota van de stuurgroep BGT wordt beschreven op welke wijze de eerste tranche is ingericht en wordt de bestaande definitie uitgelegd. Ook is in de gegevenscatalogus BGT van Geonovum informatie opgenomen over de verplichte onderdelen van de BGT. Tot slot vindt u op site van Geonovum informatie over het IMGeo-model en de werkafspraken daarbij.



Mythe 8: “Aanleveren van huisnummers is niet verplicht en mag ook later”

Dit is een misverstand. Huisnummers en huisnummerreeksen maken in 2016 al onderdeel uit van de verplichte inhoud van de BGT. Alle gegevens die vóór de BGT al werden ingewonnen, zoals huisnummers, moeten verplicht aangeleverd worden. We willen immers niet dat gebruikers noodzakelijke inhoud gaan missen.

Minimale eis BGT: gegevens aanleveren die vóór de BGT ook al werden ingewonnen

Cartoon Mythe 8 huisnummers

Gemeenten zijn bronhouder van huisnummers en hadden een GBK(N) en een BAG als authentieke bron van huisnummers. De eis voor 1-1-2016 is dat minimaal de grootschalige topografie die vóór de BGT werd ingewonnen in de BGT moet worden opgenomen in BGT-formaat. Meer dan dat mag. Zie de nota van de stuurgroep BGT.

Huisnummers zijn een typisch geval van gegevens die reeds vóór de BGT werden ingewonnen. Als het om huisnummers of huisnummerreeksen gaat is het antwoord dus simpel: het is verplichte inhoud voor 2016 en moet worden geleverd door de gemeente als bronhouder. We willen namelijk niet dat gebruikers noodzakelijke inhoud gaan missen: huisnummers zijn van groot belang voor de oriëntatie en daarmee de bruikbaarheid van BGT-kaartproducten.

Optionele relatie pand-huisnummer ≠ optionele aanlevering huisnummers

Er is wat verwarring ontstaan rondom de aanlevering van huisnummers, doordat in de IMgeo-standaard de relatie pand-huisnummer als ‘optioneel’ is gemodelleerd. Dit is echter gebeurd omdat niet elk pand in de BAG ook een adres heeft (denk bijvoorbeeld aan bijgebouwen). Dit betekent echter niet dat huisnummers daarmee optioneel zijn: als ze aanwezig zijn in de BAG moeten ze worden overgenomen in de BGT. Anders gezegd, het doet niets af aan de wettelijke verplichtingen om bestaande inhoud te leveren.

Controle op huisnummers en huisnummerreeksen door SVB-BGT

Om deze reden controleert het SVB-BGT sinds kort ook bij intake van nieuwe leveringen op de aanwezigheid van huisnummers. Bij enkele al in de Landelijke Voorziening aanwezige leveringen zaten om technische redenen nog geen huisnummers. SVB-BGT heeft afspraken gemaakt met betrokken bronhouders om deze op korte termijn toe te voegen.

Werkafspraak nummeraanduidingsreeks

In juli 2015 publiceert Geonovum op haar webpagina met werkafspraken BGT| IMGEO de werkafspraak ‘nummeraanduidingsreeks’, waarin op technisch niveau staat beschreven hoe er met huisnummers moet worden omgegaan.



Mythe 7: “Afstemmingsprocedures met strokenbronhouders zijn onduidelijk”

Dit is een misverstand. Eerder waren afstemmingsprocedures niet altijd helder, maar inmiddels zijn er goede afspraken gemaakt en kunnen regionale bronhouders volgens nieuwe afstemmingsprocedures afstemmen met de landelijke strokenbronhouders.

Nieuwe overzichtelijke afstemmingsprocedures en helpdesk beschikbaar

Aan het einde van 2014 bleek dat regionale bronhouders problemen ervoeren met de afstemming van grenzen met strokenbronhouders. Dit bleek ook uit een notitie en de enquête van begin 2015. Veel bronhouders zagen in de afstemmingsproblemen een planningsrisico.

Mythe 7 Afstemmingsprocedures met strokenbronhouders zijn onduidelijk

Deze signalen zijn opgepakt door het SVB-BGT en de landelijke (stroken-) bronhouders. Gezamenlijk hebben zij verschillende maatregelen genomen om de afstemming met buurbronhouders te verbeteren. Er zijn nieuwe overzichtelijke procedures voor de wijze van afstemming en voor de invulling van Ongeclassificeerde Objecten (OCO’s). Rijkswaterstaat heeft daarnaast een helpdesk (servicedesk-data@rws.nl) geopend in aanvulling op de reguliere contacten via de transitieregisseurs.

De nieuwe afstemmingsprocedures worden regelmatig geëvalueerd en waar nodig bijgesteld om het afstemmingsproces te blijven verbeteren.

Afstemmingsprocedure in de nieuwe digitale handleiding van het SVB-BGT

Het nieuwe afstemmingsproces met strokenbronhouders is inzichtelijk gemaakt middels een visualisatie. Hieruit is stap voor stap af te lezen op welke wijze de afstemming met strokenbronhouders volgens de nieuwe werkwijze behoort te verlopen. Deze visualisatie en de afzonderlijke afstemmingprocedures met alle verschillende (stroken)bronhouders zijn te vinden in de nieuwe digitale handleiding van het SVB-BGT onder de Tweede Etappe: Opbouwen en Afstemmen.

Inhoud van de afstemmingsprocedure

In de digitale handleiding van het SVB-BGT vindt u een duidelijk overzicht van de wijze waarop regionale bronhouders vanaf nu tegen de grenzen van (stroken) bronhouders aan kunnen werken. Per landelijke bronhouder zijn de geldende regels te raadplegen. Op Mett zijn daarnaast (indicatieve) bronhoudersgrenzen gepubliceerd, die als hulpmiddel dienen om de grenzen te bepalen. Informatie over de kaartenmodule in Mett en het gebruik ervan vindt u hier.

In de nieuwe afstemmingsprocedure kunnen buurbronhouders bovendien voor zowel de grenzen van RWS als van Prorail issues indienen via de kaartmodule in Mett. Is een grens aantoonbaar incorrect, dan kan dit worden aangegeven en wordt dit issue vervolgens beoordeeld door het SVB-BGT, Prorail of RWS. Conform assemblagerichtlijnen worden issues goed- of afgekeurd. Voor RWS objecten zijn er inmiddels ook verbeterde assemblageregels vastgelegd in de ‘Instructie voor Opbouw en Assemblage’.



Mythe 6: "Uitbesteden betekent dat je achterover kunt leunen"


Dit is een misverstand. Ook als u werk uitbesteedt, ongeacht of dit aan het SVB-BGT is of aan een andere partij, is het zaak uw rol als opdrachtgever goed in te vullen.

Goed opdrachtgeverschap bij ontzorging door het SVB-BGT of een andere partij

Mythe 6: Uitbesteden betekent dat je achterover kunt leunen

Zowel tijdens de transitie als tijdens het beheer van de BGT, kunt u er als bronhouder voor kiezen om opbouw- en bijhouding uit te besteden. Een deel van de bronhouders heeft daarvoor gekozen, en wordt gefaciliteerd door het SVB-BGT of een andere partij. Goed opdrachtgeverschap is hierbij belangrijk. Bronhouders blijven zelf natuurlijk een belangrijke rol spelen in de wijze waarop de BGT wordt gebouwd binnen de eigen grenzen.

Dit betekent dat u een duidelijke opdracht geeft, en daarbij goed weet wat u vraagt en welke mogelijkheden er zijn. Ook bent u als bronhouder verantwoordelijk om bewuste keuzes te maken inzake nauwkeurigheid en registratie van optionele objecten. Tot slot bent u als bronhouder ook eindverantwoordelijk voor een goede afstemming met andere bronhouders.

Opdrachtgeverschap aan softwareleveranciers

Ook op het gebied van de software is het belangrijk om de regie te houden, zeker wanneer de ICT-leverancier de meeste implementatie-activiteiten uitvoert. Er zijn verscheidene softwareleveranciers bezig met de ICT voor de BGT, voor zowel de opbouw, levering als mutaties. Als bronhouder is het belangrijk dat u duidelijke specificaties geeft, weet wat u vraagt en wanneer het gevraagde voldoet aan de juiste eisen.

Het nieuw gepubliceerde Referentiemodel ICT-BGT helpt om bepaalde keuzes voor software te verhelderen en de gesprekken met leveranciers vorm te geven. Duidelijke afspraken met leveranciers zorgen ervoor dat de gewenste ICT wordt geleverd.

Goed opdrachtgeverschap staat aan de basis van een succesvolle uitbesteding!



Mythe 5: "Als je IMGeo wilt aanleveren, moet je dit meteen doen bij de eerste levering"

Dit is een misverstand. Bronhouders die meer objecten willen registreren dan de wettelijk verplichte objecten, kunnen dit ook tijdens de beheerfase doen. Lees hieronder hoe dit zit.

Plustopografie aanleveren is niet verplicht

Het Informatiemodel Geografie (IMGeo) beschrijft hoe objectgerichte informatie moet worden vastgelegd. IMGeo bestaat uit een wettelijk verplicht deel (IMBGT) en een optioneel deel, de zogenaamde plus- en beheertopografie. Iedere bronhouder kan zelf bepalen of hij enkel de wettelijk verplichte objecttypes registreert of ook de plustopografie. Informatie over de actuele standaarden van verplichte en optionele topografie is te vinden op de website van Geonovum.

Aanleveren plustopografie mág bij de eerste levering, maar kan ook tijdens de beheerfase

Mythe 5 cartoon

Een groot deel van de bronhouders geeft aan dat ze plustopografie wil gaan registeren. De aanlevering van plustopografie mag en kan gelijk bij de eerste levering, maar hoeft niet. De wettelijk verplichte BGT kan ook naderhand worden aangevuld en verrijkt met de optionele IMGeo informatie door middel van mutaties. U zult zelf moeten kiezen of u het inbedden van plustopografie al meteen bij de start van de BGT toepast, of pas tijdens de beheerfase.

Rekening houden met beheer 

Houd er wel rekening mee dat de plustopografie ook bijgehouden moet worden, zodra deze is aangeleverd